Alles over jouw kind op de basisschool

Artikel
Is er sprake van verjuffing in het basisonderwijs? UPDATE DOOR ZWIJSEN 20-10-2011

“Eindelijk, een meester in de klas!” verzuchtte Joppe toen hij in groep 8 voor het eerst geen juf kreeg. In Nederland is het nu eenmaal zo dat meer vrouwen dan mannen voor de klas staan. Is de benadering van de kinderen ècht anders bij een juf dan bij een meester? En is dat erg? We vroegen het aan professor Jolles, hoogleraar aan de VU Amsterdam, en schrijver van het boek ‘Ellis en het verbreinen’. Zijn stelling: “Juffen en meesters hebben van nature een andere benaderingswijze van de leerling, maar ze kunnen veel van elkaar leren.”

De overgrote meerderheid van de leerkrachten in het basisonderwijs is vrouw. Is het zo dat juffen en meesters echt anders lesgeven, of maakt het voor het leerproces op zichzelf niet zoveel uit?

Prof. Jolles: “Mannen en vrouwen kiezen van nature andere pedagogische invalshoeken, ze spelen andere ‘rollen’: stoeien en uitdagen zijn echte mannendingen, zorgzaamheid en empathie meer vrouwendingen. Dat neemt niet weg dat een vrouwelijke leerkracht goed in staat moet zijn om ook de rol te leren spelen die een mannelijke leerkracht van nature makkelijker neemt. En omgekeerd.

"Gemiddeld hebben basisschoolleerkrachten tegenwoordig wat minder ervaring en ook een lagere opleiding dan vroeger."

Toch blijft het moeilijk om een ‘algemeen geldige’ uitspraak te doen. Sekse is niet het enige verschil tussen leerkrachten. Leerkrachten in het basisonderwijs verschillen onderling veel in ervaring: aantal jaren, maar ook in welke groep ze ervaring hebben opgedaan. Ook de opleiding die men heeft gehad maakt erg uit.

In de loop van de afgelopen jaren blijken veel basisschoolleerkrachten minder ervaring of een lagere opleiding te hebben dan onderwijzers van een tijd geleden. Dat heeft zijn weerslag op leerprestaties van kinderen, op hun leermotivatie, en de omgang met gedragsproblemen. Dit is des te meer belangrijk omdat onderwijs en opvoeding complexer zijn geworden: er zijn meer kinderen in de klas, met meer gedragsproblemen en de etnische samenstelling is veel complexer.”

De meester aan het werk

Een van onze columnisten schreef eens dat haar dyslectische zoon in groep 8 had verzucht ‘eindelijk een meester’, want die begreep hem tenminste. En in een interview stelt Martine Delfos dat een fifty-fifty verhouding van mannelijke en vrouwelijke leerkrachten wenselijk zou zijn met het oog op de verschillende leerstijlen van jongens en meisjes.

Hoe denkt u daarover?


Prof. Jolles: “Er is dus een ‘natuurlijk verschil’ in opvoedingsstijlen en -vaardigheden van mannelijke en vrouwelijke leerkrachten (maar ook van ouders!). Dit natuurlijke verschil is eigenlijk niets anders dan een voorkeursstrategie.

Veel leerkrachten gebruiken gewoonlijk die ene strategie die hun van nature past. En dat is nog wat versterkt door de geldende visie op onderwijs: kinderen vrij laten, meer verantwoordelijkheid geven, en niet te veel sturen. Het kind volgen en invoelen wat het nodig heeft is gedrag waar vrouwen van nature beter in zijn. En dat is ook van groot belang in de klas. Structuur, sturing, het ondernemend zijn, initiatief nemen, en het opdoen van kennis zijn ook belangrijk voor het schoolkind.

Mannen hebben van nature een iets meer directieve, leidende stijl en er zijn behoorlijk wat kinderen die daar veel baat bij kunnen hebben. Doordat er veel minder mannen in het basisonderwijs zijn gaan werken zijn er ook minder leerkrachten die die stijl hanteren. En mijns inziens is dat wel een rol die iedere leerkracht moet kunnen spelen: man zowel als vrouw.

"Het kind volgen en invoelen wat het nodig heeft is gedrag waar vrouwen van nature beter in zijn."

Als gezegd wordt, ‘eindelijk een meester die hem tenminste begreep’, geeft dat vooral aan dat leerkrachten meer inzicht zouden moeten verwerven in de leerling. Door meer te weten over het lerende kind krijgen leerkrachten meer controle over hun vak. Ze kunnen dan ook meer betekenen voor het kind: het motiveren en inspireren. En toch ook emotionele steun en geborgenheid geven. Dus zowel ‘steun’, ‘sturing’ als ‘inspiratie’ zijn goed door een en dezelfde leerkracht te geven. En als dat kan worden overgebracht kan een snelle kwaliteitsslag worden gemaakt.

Nogmaals: er zijn veel aanwijzingen dat vrouwelijke en mannelijke leerkrachten daarin geheel niet voor elkaar onderdoen! Ook vrouwerlijke leerkrachten kunnen uitstekend uitdagen, leidend zijn, inspireren. Maar het moet ze wel geleerd worden: ze kunnen leren om meerdere ‘rollen’ te spelen.

Ik houd persoonlijk niet van de term ‘verjuffing van het basisonderwijs’. Ik vind het denigrerend. Wat er werkelijk aan de hand is, is het ervarings- en opleidingsniveau die gemiddeld minder zijn dan vroeger. Het positieve is dat daar wat aan gedaan kan worden. Dat is wat ik bepleit, en waarvoor ik in mijn boek ‘Ellis en het verbreinen’ ook vele aanknopingspunten bied.”

Is een kleuterleerkracht altijd een kleuterjuf?

Is er nog verschil tussen kleuters en oudere kinderen in dat opzicht, of is het in alle klassen even belangrijk om een leerkracht te hebben die meerdere pedagogische rollen kan spelen?

Prof. Jolles: “Het is voor alle leeftijden belangrijk. Ook tussen kinderen zijn immers grote individuele verschillen te zien. Dat komt ook naar voren in mijn boek. Die verschillen moeten door de leerkracht goed herkend worden. Ze zijn namelijk sterk bepalend voor alle aspecten van het leren: cognitieve vaardigheden, leermotivatie, sociaal gedrag, twijfels en angsten die veel kinderen hebben, en houding ten opzichte van leren. Bovendien is een kleuter met heel andere dingen bezig dan een bovenbouwer.

"Het is onbegrijpelijk dat er zo weinig van de beschikbare kennis van ontwikkelings- en neuropsychologie de school is binnengekomen."

De leerkracht moet dus zijn aanpak aanpassen al naar gelang het individuele kind. Dat betekent een aanpassing waarbij ook pedagogische principes een belangrijke rol spelen. Een aanpak die bij veel jongens goed werkt hoeft bij meisjes niet te werken. Inzicht in die verschillen en in de rol die enerzijds opvoeding speelt en anderzijds de ontwikkelingsstadium, de biologie, is heel erg belangrijk. Die inzichten zijn inspirerend voor de leerkracht en geven hem of haar een handvat voor de dagelijkse onderwijspraktijk waarin het immers niet alleen om de cognitieve ontwikkeling maar ook en vooral om de ontplooiing van de kinderen gaat.

Het is onbegrijpelijk dat er zo weinig van de beschikbare kennis van ontwikkelings- en neuropsychologie de school is binnengekomen. Dat is een uitdaging voor de komende jaren, en overigens ook een leuke, spannende uitdaging voor leerkrachten: om zich in die richting verder te ontwikkelen en zelf ‘continuous education’ te volgen. “

Prof. Jelle Jolles is hoogleraar aan de VU Amsterdam en schreef het boek ‘Ellis en het verbreinen’.

Ellis en het verbreinen


Top 5