Alles over jouw kind op de basisschool

Artikel
Wat leren kinderen bij ... aardrijkskunde? UPDATE DOOR ZWIJSEN 10-05-2016

Een kijkje in de klas

Aardrijkskunde is het vak dat zich bezig houdt met het bestuderen van de aarde en haar landschappen (de fysische aardrijkskunde), de bevolking en de bestaansmiddelen van die bevolking (de sociale aardrijkskunde). Het vak kent raakvlakken met de vakken geschiedenis en natuur en techniek. Daarom worden deze drie vakken (natuur en techniek vormen meestal samen een vak) samen de ‘kennisgebieden’ genoemd.


Op sommige scholen worden de kennisgebieden in samenhang aangeboden. Dit vak wordt wereldoriëntatie genoemd. Kinderen in groep 3 en 4 kunnen nog geen kaart lezen, dat leren ze pas vanaf groep 5. In die groep krijgen ze voor het eerst topografie.

Cito

Topografie: plaatsen leren

Topografie wordt belangrijk gevonden door leerkrachten en het Cito. Dat is niet voor niets, want door het aanleren van belangrijke plaatsen maak je een ‘mental map’ in je hoofd van landen en continenten. Dat helpt bij het interpreteren van informatie uit allerlei bronnen. Als je bijvoorbeeld hoort dat er een weeralarm wordt gegeven voor Drenthe, is het zinvol als je weet waar Drenthe ligt.

Het Cito maakte een standaardlijst met topografische namen die de kinderen aan het einde van groep 8 allemaal moeten kennen. Deze plaatsen zijn zo gekozen dat ze helpen om de ‘mental map’ te maken. Als je bijvoorbeeld de plaatsen Casablanca, Caïro, Lagos en Kaapstad weet te liggen, dan zie je ook meteen de vorm van het continent Afrika voor je. Deze steden liggen op de ‘hoeken’ van het continent.

Deze topografische namen leren de kinderen vanaf groep 6 tot en met groep 8, en er wordt regelmatig herhaald.

Steeds wijdere blik

Omdat het referentiekader van kinderen verandert naarmate ze ouder worden, veranderen ook de onderwerpen die ze in de lessen krijgen aangeboden. De kinderen beginnen met lessen over onderwerpen die dichtbij liggen: je eigen omgeving, je stad of dorp.

In groep 6 wordt breder gekeken naar Nederland in zijn geheel. De kinderen leren alle provincies en hun belangrijkste steden en rivieren bij topografie. Ook wordt gekeken naar het landschap en de economie van Nederland. In groep 7 gaat het over Europa en in groep 8 wordt de blik verbreed naar de hele wereld.

Deze indeling geldt overigens niet voor elke methode. Sommige methoden werken thematisch, vaak wel van dichtbij naar ver weg, maar vaak ook niet: er wordt dan gewerkt met ‘contrastregio’s’.

Beeld: NASA

Levendige lessen

De meeste aardrijkskundemethodes werken met thema’s. Ze nemen een onderwerp, bijvoorbeeld ‘landbouw’ en leggen vervolgens een gebied onder de loep dat hier goed bij past. Vaak wordt hierbij geprobeerd een goede link te leggen met de belevingswereld van kinderen, zodat het onderwerp meer gaat leven. Bij landbouw wordt dan bijvoorbeeld het voedsel genoemd dat wij eten. Aardrijkskunde is geen compleet vak, in die zin dat elke regio en elk land met zijn kenmerken uitputtend wordt behandeld. Het idee is dat als kinderen een aardrijkskundig idee of proces eenmaal snappen, ze dit toe kunnen passen op andere, vergelijkbare regio’s of gebieden op aarde.

Geografische vierslag

In veel methodes wordt verder gebruikgemaakt van de zogenaamde ‘geografische vierslag’. Dat is:

1. waarnemen – het zien van verschijnselen
2. verklaren – nadenken over een verklaring
3. herkennen – gevonden verklaringen op andere plaatsen toepassen
4. waarderen – vragen naar de betekenis van het verschijnsel

Deze manier wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat de lessen dieper graven dan alleen een beschrijving, zodat kinderen ook gaan nadenken over oorzaken en gevolgen.

Een voorbeeld: Je weet dat de Sahara groter ‘groeit’ (= waarnemen). Je leert dat dit komt doordat de begroeiing aan de randen van woestijnen verdwijnt (= verklaren). Je ziet dat dit ook bij andere woestijnen gebeurt (herkennen). Je denkt na over maatregelen die je kunt nemen om die groei te stoppen. Je kunt lokale mensen bomen laten planten, maar wat voor gevolgen heeft dat voor hen? (waarderen).

Actief burgerschap

Ten slotte wordt in veel aardrijkskundemethodes ook aandacht besteed aan ‘actief burgerschap’. Dit is een leerdomein dat tussen aardrijkskunde en geschiedenis valt en vaak over deze twee vakken verdeeld wordt.

De wet verplicht scholen om hun leerlingen de ‘basiskennis, vaardigheden en houding bij te brengen die nodig zijn om een actieve rol te kunnen spelen in de eigen leefomgeving en in de samenleving’. Het komt er op neer dat kinderen bij aardrijkskunde leren wat democratie is (wie zitten er in de Nederlandse regering, wie bestuurt Europa), dat ze weten hoe ze zichzelf hoorbaar kunnen maken in de samenleving en dat ze hun eigen waarden en die van anderen verkennen. Ze leren bijvoorbeeld iets over mensenrechten en solidariteit.

Actief burgerschap wordt verweven met de ‘gewone’ lessen. Leer je iets over de tropen en het regenwoud, dan wordt hierbij vaak ook aandacht besteed aan de houtkap en de verschillende belangengroepen die hier een rol bij spelen.

Lees meer over actief burgerschap op de basisschool op de website van het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling, het SLO.

Tip voor thuis: Reis door ...

In de boeken 'Reis door ...' wordt fictie en non-fictie gecombineerd. Bekijk bijvoorbeeld eens Reis door Turkije of Frankrijk.

Reis door ... Frankrijk

Top 5